Go to full page →

HOOFDSTUK 6: DE OPEN EN DE GESLOTEN DEUR EG 38

Op de 24ste Maart 1849 hadden wij een heerlike en zeer belangwekkende bijeenkomst met de broeders en zusters te Topsham, Me. De Heilige Geest werd over ons uitgestort, en ik werd in de Geest opgenomen naar de stad van de levende God. Toen werd mij getoond, dat de geboden van God, en het getuigepis van Jezus Christus betreffende de gesloten deur, niet gescheiden konden worden, en dat de tijd wanneer de geboden van God in al hun belangrijkheid zouden uitblinken, en wan-neer Gods volk getoetst zou worden, wat de waarheid van de Sabbat betreft, de tijd was, wanneer de deur geopend werd in het heilige der heiligen in het hemelse heiligdom, waar de ark is, welke de tien geboden bevat. Deze deur werd niet geopend, totdat het middelaarswerk van Jezus geëindigd was in de heilige plaats van het heiligdom, in het jaar 1844. Toen stond Jezus op, sloot de deur van het heilige, en opende de deur naar het heilige der heiligen, en ging in het binnenste van het voorhangsel, waar Hij nu bij de ark staat, en tot waar het geloof van Israel nu heenreikt. EG 38.1

Ik zag dat Jezus de deur van de heilige plaats gesloten had, en geen mens die kan openen; en dat Hij de deur naar het heilige der heiligen geopend had, en niemand die kan sluiten(Openb. 3: 7, 8);*Zie Supplement, Hoofdstuk XXI. en dat sedert Jezus de deur naar het heilige der heiligen, waar de ark is, geopend heeft, de geboden hun licht hebben doen schijnen op Gods volk, en zij getoetst worden op de kwestie van de Sabbat. EG 38.2

Ik zag, dat de tegenwoordige toets op de Sabbat niet kon toegepast worden, voordat het middelaarswerk van Jezus in de heilige plaats geëindigd was, en Hij was ingegaan in het binnenste van het voorhangsel, vanwaar dat Christenen, die ontslapen zijn voordat de deur naar het heilige der heiligen geopend werd, toen het middernachtelike geroep voorbij was, in de zevende maand, 1844, en die de ware Sabbat niet gehouden hadden, nu in hope rusten; want zij hadden het licht en de toets van de Sabbat niet, welke wij nu hebben, sinds die deur geopend is. Ik zag, dat Satan sommigen van Gods volk op dit punt trachtte te verzoeken. Omdat, er zoveel goede Christenen ontslapen zijn in de overwinning van hun geloof, en niet de ware Sabbat gehouden hebben, twijfelden zij eraan of dat nu wel een toets voor ons is. EG 39.1

De vijanden van de tegenwoordige waarheid hebben getracht, de deur naar het heilige te openen, die door Jezus gesloten is, en de deur van het heilige der heiligen te sluiten, die Hij in 1844 geopend heeft, en waar de ark is, waarin de twee stenen tafelen zijn, waarop de tien geboden staan, geschreven door Jehova's vinger. EG 39.2

Satan wendt nu in deze tijd van verzegeling ieder plan aan om de barten van Gods volk van de tegenwoordige waarheid af te trekken, en hen te doen weifelen. Ik zag een bedekking, die God over Zijn volk trok, om hen in de tijd der benauwdheid te beschermen; en iedere ziel, die besloten had de waarheid aan te nemen, en die rein van hart was, zou bedekt worden met de bedekking van de Almachtige. EG 39.3

Satan wist dit, en hij werkte met grote kracht om zoveel mensen, als hij met mogelikheid kon, te doen weifelen in hun denken, en hen onzeker te maken aangaande de waarheid. Ik zag, dat het geheimzinnige kloppen te Nieuw York en andere plaatsen de kracht van Satan was, en dat zulke dingen meer en meer algemeen zouden worden, en dat er een godsdienstige schijn aan gegeven zou worden, om de mensen, die misleid werden, een gevoel van grotere zekerheid te geven, en de harten van Gods volk, indien mogelik, tot die dingen af te trekken, en hen te doen twijfelen aan de leringen en de kracht van de Heilige Geest.*Zie Supplement, Hoofdstuk XXI. EG 39.4

Ik zag, dat Satan op veel verschillende wijzen werkte door hulpmiddelen. Hij werkte door middel van predikanten, die de waarheid verworpen hebben, en die overgegeven zijn aan een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven, opdat zij verdoemd mogen worden. Terwijl zij preekten of baden, vielen er sommigen op de grond en waren machteloos, niet door de kracht van de Heilige Geest, maar door de kracht van Satan, die hij over deze werktuigen van hem liet komen, en die door hen over de mensen kwam. Sommige belijdende Adventisten, die de tegenwoordige waarheid verworpen hadden, maakten gebruik van mesmerisme, terwijl zij preekten, baden, of een gesprek voerden, om aanhangers te krijgen; en de mensen verheugden zich over die invloed, want zij meenden, dat het de Heilige Geest was. Sommigen, die er gebruik van maakten, waren zelfs zo ver afgedwaald in de duisternis en de mislaiding van de duivel, dat zij meenden, dat het de kracht Gods was, welke hun tot gebruik gegeven was. Zij hadden God tot een wezen gemaakt, geheel en al aan hen gelijk, en hadden Zijn macht als een nietig ding geacht. EG 40.1

Sommigen van deze werktuigen van Satan schaadden de lichamen van sommigen van de heiligen,—degenen, die zij niet konden misleiden en van de waarheid aftrekken door sataniese invloed. Ach, dat alien het konden zien, gelijk God het aan mij geopenbaard heeft, opdat zij meer mochten weten vau de listige omleidingen van Satan, en op hun hoede zijn! Ik zag dat Satan op deze wijze werkte om Gods volk in verwarring te brengen te misleiden, en af te trekken, juist nu in deze tijd van verzegeling. Ik zag er sommigen, die niet vast stonden in de tegenwoordige waarheid. Hun knieën knikten, hun voeten gleden uit, omdat zij ze niet vast geplant hadden op de waarheid; en de bedekking van God Almachtig kon niet over hen uitgebreid worden, zo lang zij op die wijze wankelden. EG 41.1

Satan wendde iedere kunstgreep aan om hen te houden waar zij waren, totdat de verzegeling over was, totdat de bedekking van God over Zijn volk was gespreid, en zij zonder beschutting zouden zijn gelaten tegen de brandende toorn Gods, uitgegoten in de zeven plagen. God is begonnen deze bedekking over Zijn volk te spreiden, en deze zal spoedig getrokken zijn over al degenen, die een schuilplaats zullen hebben in de dag der slachting. God zal met kracht werken voor Zijn volk; en aan Satan zal toegelaten worden om evenzo te werken. EG 41.2

Ik zag dat de geheimzinnige tekenen en wonderen en valse hervormingen zouden toenemen en zich zouden uitbreiden. De hervormingen, die mij gewezen werden, waren geen hervormingen van dwaling tot waarheid. Mijn begeleidende engel zei dat ik de arbeid voor het behoud van zondaren moest aanschouwen gelijk die tevoren was. Ik keek, maar kon het niet zien; want de tijd voor hun redding was voorbij.*De schrijfster van deze woorden heeft niet verstaan, dat erdoor geleerd werd, dat de tijd van verlossing voor alle zondaren voorbij was. Juist in de tijd, dat deze dingen geschreven werden, werkte zijzelf voor de redding van zondaren, en zij heeft dat voortdurend sinds die tijd gedaan.
De wijze, waarop zij deze zaak verstond, en zoals die haar voorgesteld werd, wordt in de volgende paragrafen aangegeven, de eerste waarvan gepubliceerd werd in het jaar 1854, en de tweede in 1888:
“De ‘valse hervormingen’ waar hier naar verwezen wordt, zullen nog meer volledig uitgewerkt worden. Het gezicht heeft meer in het biezonder betrekking op degenen, die het licht van de advent-leer gehoord en verworpen hebben. Zij zijn overgegeven aan een kracht der dwaling. Dezulken zullen niet ‘de arbeid voor het behoud van zondaren’ hebben, gelijk die tevoren was. Daar zij de wederkomst verworpen hebben, en overgegeven zijn aan de kracht der dwaling van Satan, ‘is de tijd voor hun redding’ voorbij. Dit is echter niet van toepassing op degenen die de leer van de wederkomst niet gehoord en verworpen hebben.”
“Het is een vreselik ding om de waarheid, die ons verstand overtuigd en onze harten geraakt heeft, licht te behandelen. Wij kunnen niet ongestraft de waarschuwingen, welke God ons in genade zendt, verwerpen. In Noachs tijd werd er een boodschap uit de hemel gezonden aan de wereld, en de zaligheid der mensen hing van de wijze af waarop zij met die boodschap handelden. Omdat zij de boodschap verwierpen, werd de Geest van God weggenomen van het zondige geslacht der mensen, en zij kwamen om in de wateren van de zondvloed. In Abrahams tijd hield de genade op met pleiten met de zondige inwoners van Sodom, en alien, behalve Lot met zijn vrouw en twee dochters, werden verteerd door het vuur, dat uit de hemel nederkwam. Zo ook in de dagen van Christus. De Zoon van God zei tot de ongelovige Joden van dat geslacht: ‘Uw huis wordt ulieden woest gelaten.’ Ziende op de laatste dagen, verklaart dezelfde oneindige macht aangaande degenen die de liefde der waarheid niet aangenomrn hebben, om zalig te worden: ‘Daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; opdat zij alien veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.’ Wanneer zij de leer van Zijn woord verwerpen, neemt God Zijn Geest weg, en geeft hen over aan de dwaling, die zij liefhebben.”
EG 41.3