Go to full page →

HOOFDSTUK 15: DEJODEN BESLUITEN OM PAULUS TE DODEN EG 238

Toen de overpriesters en de oversten de uitwerking zagen, die het verhaal van Paulus' bevinding had, werden zij met haat tegen hem vervuld. Zij zagen, dat hij met vrijmoedigheid Jezus predikte, en wonderen in Zijn naam deed; en dat er grote scharen naar hem luisterden, die zich van hun overleveringen afkeerden, en de Joodse voorgangers beschouwden als de moordenaars van de Zoon van God. Hun to rn werd ontstoken, en zij namen tezamen raad, wat het beste gedaan kon worden om de opwinding tot bedaren te brengen. Zij kwamen overeen, dat de enige veilige weg was om Paulus te doden. Maar God kende hun plan, en engelen ontvingen last om hem te bewaken, ten einde hem in het leven te bewaren om zijn zending te volvoeren. EG 238.2

Aangedreven door Satan, bewaarden de ongelovige Joden de poorten van Damaskus bij dag en bij nacht, opdat zij Paulus onmiddellik mochten doden, wanneer hij door een ervan de stad zou verlaten. Maar het was aan Paulus bekend gemaakt, dat da Joden hem naar het leven stonden, en de discipelen lieten hem neder over de muur, hem flatende in een mand. De Joden waren beschaamd en verontwaardigd over dit mislukken van de uitvoering van hun plannen, en Satans doel werd niet bereikt. EG 239.1

Hierop ging Paulus naar Jeruzalem om zich hij de discipelen te voegen, maar zij waren alien bevreesd voor hem Zij konden niet geloven, dat hij een discipel was. De Joden te Damaskus hadden getracht, hem van het leven te beroven, en zijn eigen broederen wilden hem niet in hun midden opnemen; maar Barnabas nam hem tot zich, en leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op de weg de Heer gezien had, en hce hij te Damaskus vrijmoediglik gesproken had inde naam van Jezus. EG 239.2

Maar Satan zetta de Joden op om Paulus te doden, en Jezus gebood hem om Jeruzalem te verlaten. Door Barnabas vergezeld ging hij naar andere steden, predikende Jezus, en wonderen doen le, en velen werden bekeerd. Toen een man genezen werd, die onmachtig aan de voeten was, kreupel zijnde van zijn geboorte, sfcondende mensen, die afgoden aanbaden, op bet punt om offerande te doen aan de discipelen. Paulus bedroefde zich hierover, en sprak tot hen, dat hij en zijn medearbeider maar gewone mensen waren, en dat alleen de levende God, die de hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is, gemaakt heeft, aangebeden moest worden. Op die wijze verhoogde Paulus God voor de mensen; doch hij kon hen nauweliks weerhouden. Het eerste begrip van geloof in de ware God, en van de aanbidding en het eerbetoon, die Hem toekomen, werd in hun harton gevormd; en terwijl zij naar Paulus luisterden, zette Satan de ongelovige Joden van andere steden aan om Paulus op de voet te volgen, en het werk, dat door hem gedaan werd, tot niet te brengen. Die Joden hitsten deze afgodedienaars tegen Paulus op door valse rapporten aangaande hem te verspreiden. De verwondering en bewondering van de mensen veranderden nu in haat, en zij, die korte tijd tevrren klaar gestaan hadden om de discipelen te aanbidden, stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat bij dood was. Doch toen de discipelen Paulus omringd hadden, en over hem rouw bedreven, stond hij tot hun blijdschap op, en ging met hen in de stad. EG 239.3

En wederom, toen Paulus en Silas Jezus predikten, volgde hen een zekere vrouw na, hebbende een waarzeggende geest, roepende: “Deze mensen zijn dienstknechten Gods, des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen.” En dit deed zij vele dagen. Maar Paulus was daarover ontevreden; want dit roepen achter hen aan trok de gedachten van de mensen van de waarheid af. Satans plan was om door haar dit te laten doen, do mensen te ergeren, en de invlced van de discipelen te niet te maken. Paulus' geest werd onstoken in hem, en hij keerde zich om, en zei tot de geest: “Ik gebied u in de naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat;” en de boze geest was bestraft, en verliet haar. EG 240.1

Haar meesters hadden het gaarne gezien, dat zij de discipelen nariep; maar toen de boze geest t aarberliet, en zij haar een nederige discipel van Christus zagen worden, werden zij to toornig. Zij hadden veel geld verdiend met haar waarzeggerij, en nu was de hoop van hun gewin weg. Satans doel was verijdeld; maar zijn dienstknechten grepen Paulus en Silas, en trokken hen naar de mark*, voor de oversten, tot de hoofdmannen, zeggende: “Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn” En de schare stond gezamenlik tegen hen op, en de hoofdmannen hun de klederen afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen. En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden de stokbewaarder, dat hij hen zekerlik bewaren zou; dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnenste kerker, en verzekerde hun voeten in de stok. Maar de engelen des Heren vergezelden hen tot binnen de muren van de gevangenis, en zorgden dat hun gevangenneming tot eer van God zou strekken, en de mensen zou tonen, dat God in het werk, en met Zijn uitverkoren dienstknechten was. EG 241.1

Omtrent middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen; en er geschiedde snellik een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten van de kerker bewogen werden; en ik zag dat de engel Gods onmiddellik de handen van alien losmaakte. De stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren van de gevangenis geopend, werd zeer verschrikt. Hij dacht dat de gevangenen ontkomen waren, en dat hij met de dood gestraft zou moeten worden. Maar toen hij op het punt stond van zichzelf om te brengen, riep Paulus met luider stem, zeggende: “Doe uzelf geen kwaad; want wij zijn allen hier.” EG 241.2

De kracht Gods overtuigde de stokbewaarder op dat ogenblik Hij riep om een licht, en in de gevangenis springende, kwam hij bevende en viel aan de voeten van Paulus en Silas neder, en zei: “Lieve heren! wat moet ik doen opdat ik zalig worde?” En zij zeiden: “Geloof in de Heer Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” De stokbewaarder verzamelde toen zijn ganse gezin en Paulus predikte hun Jezus. Op die wijze werd het hart van de stokbewaarder verbonden aan dat van zijn broederen, en hij waste hen van de striemen, en werd terstond gedoopt, en al de zijnen. Daarna zette hij hun voedsel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was. EG 242.1

Het wondervolle nieuws van de openbaring van de kracht Gods in het, openen van de deuren van de gevangenis, en in de bekering van de stokbewaarder en zijn gezin, werd spoedig overal verspreid. De oversten hoorden deze dingen, en werden bevreesd, en zonden tot de stokbewaarder, hem verzoekende Paulus en Silas te laten gaan. Maar Paulus wilde de gevangenis niet heimelik verlaten; hij wilde niet dat de openbaring van de kracb* Gods verborgen zou worden. Hij sprak tot ben: “Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelik daaruit? Niet alzo; maar dat zij zelven komen, en ons uitleiden.” Toen deze woorden aan de boofdmannen geboodschapt werden, en het bekend werd, dat zij Romeinse burgers waren, werden de oversten bevreesd, dat zij zich bij de keizer beklagen zouden over hun onwettige behandeling. En zij kwamen en baden ben, en deden hun uitgeleide, begerende, dat zij uit de stad gaan zouden. EG 242.2