Go to full page →

DE INVLOED VAN WERELDSE VERBINTENISSEN USG1 595

Velen verliezen nu hun belangstelling voor en hun vertrouwen in de waarheid, omdat zij zelven in zo nauwe 1880, Vol. 4, blz. 503—508 gemeenschap met het ongeloof zijn getreden. Zij nemen in zich op de atmosfeer van twijfel, van weifelen, van ongeloof. Want dat ongeloof zien en horen ze, en uiteindelijk geven ze zich daaraan over. Sommigen hebben misschien de moed om die invloeden te weerstaan, maar in de meeste gevallen wordt hun geloof onmerkbaar ondermijnd en ten slotte geheel vernietigd. Satan heeft dan zijn doel bereikt. Hij heeft door zijn handlangers zo in het geniep gewerkt, dat de dijken van het geloof en de waarheid weggeslagen waren, vóór de gelovigen er erg in hadden dat ze op drift geslagen waren. USG1 595.3

Het is een gevaarlijk iets om een wereldse verbintenis aan te gaan. Satan weet heel goed, dat het uur, dat het huwelijk van vele jonge mannen en vrouwen bezegelt, de geschiedenis van hun godsdienstig beleven en bruikbaarheid afsluit. Ze zijn voor Christus verloren. Zo af en toe doen ze misschien weer eens een poging om het leven van een Christen te leiden, maar in hun pogen moeten ze steeds tegen de stroom opworstelen. Eens was het voor hen een voorrecht en blijdschap om over hun geloof en verwachting te spreken; maar dan gaan ze er tegen op zien om het onderwerp aan te snijden, wetende, dat degene, met wie zij hun lot verbonden hebben, daarvoor geen belangstelling heeft. Het gevolg daarvan is, dat het geloof in de dierbare waarheid in hun hart afsterft, en Satan hen arglistig spint in een web van twijfelzucht. USG1 596.1

Juist omdat men doet wat wettelijk geoorloofd is, wordt het tot een grievende zonde gemaakt. Die de waarheid belijden, vertreden de wil van God door een huwelijk met ongelovigen aan te gaan; ze verliezen Zijn goedgunstigheid en zullen daar later bitter berouw over hebben. Best mogelijk dat de ongelovige een uitmuntend moreel karakter bezit; maar het feit, dat hij of zij de eisen Gods niet nakomt en op een zo grote zaligheid geen acht heeft geslagen, is een voldoende reden om zo ', n verbintenis niet aan te gaan. Het karakter van de ongelovige kan overeenkomst hebben met dat van de jonge man, tof wie Jezus de woorden richtte: “Eén ding ontbreekt u”; en dat was juist het ene nodige. USG1 596.2

Soms wordt ten goede aangevoerd dat de ongelovige de godsdienst geen kwaad hart toedraagt en dat hij alles in zich heeft wat hem stempelt tot een goede levensgezel, met uitzondering van één ding — hij is geen Christen. Hoewel nu het gezonde oordeel van de gelovige het verkeerde van een levensverbintenis met een ongelovige suggereert, zo triomfeert nochtans in negen van de tien gevallen de neiging des harten. Het geestelijk verval begint wanneer de trouwbelofte aan hef altaar is gedaan; godsdienstige ijver bekoelt en de ene vesting na de andere wordt geslecht, totdat beiden zij aan zij staan onder de zwarte banier van Satan. Zelfs op de bruilotsfestiviteiten triomfeert de geest van de wereld over geweten, geloof, en waarheid. In het nieuwe tehuis wordt de ure des gebeds niet geëerbiedigd. De bruid en de bruidegom vormen daarin geen gesloten geheel, en Jezus wordt weggezonden. USG1 597.1

In den beginne toont de ongelovige zich in de nieuwe verhouding niet zo opposant; maar wanneer het onderwerp in zake Bijbelse waarheid ter tafel wordt gebracht, dan breekt in eens het gevoelen zich baan: “Je hebt me getrouwd, wetende dat ik was wie ik ben; ik wens daarmee niet lastig gevallen te worden. Laten we daarom afspreken dat, van nu af aan, we jouw speciale inzichten niet meer aan zullen roeren”. Zou er bij de gelovige dan nog enige ijver voor zijn geloof bestaan, zo zou dat nog onvriendelijk schijnen tegenover degene die voor het Christelijk beleven niets voelt. USG1 597.2

De gelovige redeneert dat hij in zijn nieuwe verhouding aan de gezellin zijner keuze wat moet toegeven. Men gaat het terrein van de wereldse genoegens betreden. In den beginne gaat dat nog niet zo van harte, maar de belangstelling voor de waarheid verschrompelt meer en meer, en twijfel en ongeloof komen in de plaats van het geloof. Niemand zou verwacht hebben dat de eens zo flinke, gewetensvolle gelovige en devote navolger van Christus zo ', n twijfelachtig, weifelend mens zou worden, die hij nu is. O, de verandering, die gewrocht wordt door dat onverstandige huwelijk! USG1 597.3