Go to full page →

HOOFDSTUK 21—MODERN SPIRITUALISME USG1 95

Ik werd verwezen naar deze tekst als speciaal slaande op het moderne spiritualisme: Kolossensen 2 :8: “Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten, en niet met Christus” (N.V.). Duizenden, zo werd mij getoond, zijn meegesleept geworden door de leer van de phrenologie (schedelleer) en dierlijk magnetisme, en zijn daardoor in het ongeloof vervallen. Wanneer de geest zich op dit gebied gaat bewegen, dan is het bijna zo goed als zeker, dat hij uit zijn evenwicht slaat en door een demon beheerst wordt. “IJdel bedrog” vult het verstand van arme sterfelijke wezens. Hun beginselen en geloof zijn, “in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten, en niet met Christus.” USG1 95.1

Jezus heeft hun deze philosophie niet bijgebracht. Niets van dat al wordt in Zijn leer gevonden. Hij richtte het verstand van arme sterfelijke wezens niet op henzelven, op een kracht, die ze niet bezitten. Een speciale waarschuwing wordt gegeven in vers 18: “Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses.” USG1 95.2

De leraars van het spiritualisme komen tot u op een prettige betoverende wijze om u te misleiden en wanneer ge naar hun fabels luistert, wordt ge bedrogen door de vijand der gerechtigheid, en een beloning zal u zeker ontgaan. Wanneer gij eenmaal de fascinerende invloed van de aartsbedrieger hebt ondergaan, zijt ge vergiftigd en zijn dodelijke invloed vervalst en vernietigt uw geloof in Christus als zijnde de Zoon van God, en gij houdt op u te verlaten op de verdiensten van Zijn bloed. USG1 95.3

Die zich door deze philosophie laten meeslepen, komen 1862, Vol. 1, blz. 297—302
(Wijsbegeerte en ijdel bedrog)
ten opzichte van hun beloning door de misleidingen van Satan, bedrogen uit. Zij verlaten zich op hun eigen verdiensten, doen zich nederig voor, zijn zelfs bereid offers te brengen en plaatsen zich op een lager niveau, onderwerpen hun verstand aan de grootst mogelijke onzin, terwijl ze de meest absurde ideeën verkrijgen door degenen, welke zij als hun overleden vrienden beschouwen. Satan heeft hun ogen zó verblind en hun oordeel zó verdorven, dat ze het kwaad niet zien; en zij volgen de instructies op, die zogenaamd van hun overleden kennissen zijn, nu engelen in hoger sfeer. USG1 95.4

Satan heeft een zeker werkend, fascinerend bedrog gekozen, dat er op berekend is beslag te leggen op de sympathieën van hen, die hun geliefden in het graf hebben zien neerdalen. Boze engelen nemen de gedaanten van deze geliefden aan en verhalen voorvallen, die in hun leven zijn gebeurd, of doen daden, die hun vrienden deden toen ze nog leefden. Zo plegen zij hun bedrog en doen de verwanten van de doden geloven, dat hun overleden vrienden engelen zijn, die zich om hen heen ophouden en met hen spreken. Zij beschouwen hen met een zekere verafgoding en wat zij mogelijk zeggen heeft groter invloed op hen dan het Woord van God. USG1 96.1

Deze boze engelen, die zich voordoen als de gestorven vrienden, zullen óf Gods Woord geheel als ijdele sprookjes verwerpen, óf, indien dat in hun kraam te pas komt, de vitale gedeelten, die van Christus getuigen en de weg naar de hemel uitstippelen, uitkiezen, en de duidelijke verklaringen van Gods Woord veranderen, om die aan te passen aan hun eigen corrupte natuur en zodoende zielen om te brengen. Met een volledige aan-dacht voor Gods Woord, zullen allen, zo zij willen, van deze zielen-vernietigende misleiding overtuigd worden. Het Woord van God zegt zeer positief, dat “de doden weten niet met al.” Prediker 9 : 5, 6: “Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij. hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten. Ook is alreeds hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan; en zij hebben ook geen deel meer in deze eeuw in alles, waf onder de zon geschiedt.” USG1 96.2