Loading...
Larger font
Smaller font
Copy
Print
Contents
  • Results
  • Related
  • Featured
No results found for: "undefined".
  • Weighted Relevancy
  • Content Sequence
  • Relevancy
  • Earliest First
  • Latest First
    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents

    KAPITEL 6—DAGEN VAN STRIJD.

    DE Joodsche leeraars hadden allerlei verordeningen voor het volk gemaakt en eischten vele dingen, die God niet geboden had. Zelfs de kinderen moesten deze verordeningen leeren en volgen. Maar Jezus sloeg niet veel acht op het onderwijs der rabbijnen. Wel nam Hij Zich in acht, dat Hij niet op een oneerbiedige wijze over deze leeraars sprak, maar Zelf wijdde Hij Zich aan het onderzoek der Heilige Schrift en gehoorzaamde de wetten van God. Dikwijls werd Hij bestraft, omdat Hij niet deed wat anderen deden. Maar dan toonde Hij hun uit de Heilige Schrift aan, wat recht was.JH 37.1

    Jezus trachtte altijd anderen gelukkig te maken. Omdat Hij zoo zacht en vriendelijk van aard was, hoopten de rabbijnen dat zij Hem konden bewegen om te doen zooals zij deden. Maar dat gelukte hun niet. Wanneer men er bij Hem op aandrong om hun verordeningen te volgen, vroeg Hij altijd wat de Heilige Schrift leerde. Wat daarin werd gevraagd, was Hij gewillig te doen.JH 37.2

    Dit maakte de rabbijnen boos. Zij wisten dat hun verordeningen in strijd waren met de Heilige Schrift en toch waren zij ontstemd als Jezus weigerde, Zich er aan te onderwerpen. Zij beklaagden zich over Hem bij Zijn ouders. Jozef en Maria dachten dat deze rabbijnen goede mannen waren, zoodat Jezus in het ongelijk werd gesteld, wat voor Hem hard was om te dragen.JH 37.3

    De broeders van Jezus kozen partij voor de rabbijnen. Zij zeiden, dat het woord von deze leeraars moest worden aangenomen als het Woord van God. Zij bestraften Jezus, omdat Hij Zich feitelijk verhief boven de leiders van het volk.JH 38.1

    De rabbijnen beschouwden zichzelf als beter dan andere menschen en wilden daarom geen omgang hebben met het gewone volk. Armen en onwetenden werden door hen veracht. Zieken en lijdenden lieten zij zonder hoop of troost.JH 38.2

    Jezus betoonde teedere belangstelling in al het lijden der menschen. Hij trachtte elken lijder, dien Hij ontmoette, te helpen. Hij had weinig geld om weg te geven, maar dikwijls ontzegde Hij Zich voedsel om anderen te kunnen helpen.JH 38.3

    Wanneer Zijn broeders arme, ongelukkige wezens soms op een harde wijze toespraken, ging Jezus dikwijls tot dezelfde personen en sprak hun vriendelijke en bemoedigende woorden toe. Als Hij menschen aantrof, die hongerig of dorstig waren, bracht Hij hun een beker koud water en dikwijls het voedsel, dat voor Hemzelf bestemd was.JH 38.4

    Dit alles mishaagde Zijn broeders. Zij dreigden Hem en trachtten Hem schrik aan te jagen, maar Jezus ging kalm Zijns weegs en deed wat God bevolen had. Vele waren de beproevingen en verzoekingen, die Jezus moest doorstaan.JH 38.5

    Satan was er altijd op uit, om Hem ten val te brengen. Indien Jezus had kunnen worden verleid, om één enkele verkeerde daad te doen of één ongeduldig woord te spreken, dan had Hij onze Zaligmaker niet kunnen zijn en de geheele wereld zou verloren zijn geweest. Dit wist Satan en daarom deed Hij al het mogelijke om Jezus te doen zondigen.JH 38.6

    Jezus werd altijd beschermd en omringd door heilige engelen; toch was geheel Zijn leven een strijd met de machten der duisternis. Niemand onzer zal ooit zulke zware verzoekingen moeten doorstaan. Op alle verzoekingen had Hij één antwoord: “Er staat geschreven.” De verkeerde handelwijze van Zijn broeders bestrafte Hij niet dikwijls, maar Hij zeide hun, wat God gezegd had.JH 39.1

    Nazareth was een goddelooze stad en dikwijls werd Jezus door de kinderen en de jeugd aangespoord om hun booze wegen te volgen. Hij was wakker en opgeruimd van geest en aangenaam in den omgang. Maar ZijnGoddelijke beginselen wekten menigmaal hun toorn op. Wanneer Hij weigerde mee te doen aan een verboden daad, noemde men Hem een lafaard. Men schimpte op Hem, als iemand, die het met kleine dingen veel te nauw nam. Op al zulke aantijgingen antwoordde Jezus: “De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid en van het kwade te wijken is verstand.” Job. 28:28. Het kwaad te beminnen is den dood lief te hebben, want “de bezoldiging der zonde is de dood”.JH 39.2

    Jezus streed niet voor Zijn rechten. Wanneer. Hij verkeerd bejegend werd, verdroeg Hij het geduldig. Omdat Hij zoo gewillig was en niet klaagde, werd Zijn werk dikwijls noodeloos zwaar gemaakt. Doch dat kon Hem niet ontmoedigen, want Hij wist dat Gods goedkeuring op Hem rustte.JH 39.3

    Zijn gelukkigste oogenblikken waren, wanneer Hij alleen was in de natuur en met Zijn God. Wanneer Hij Zijn werk verricht had, ging Hij gaarne in het veld om Zich in de groene valleien aan overpeinzing over te geven of tusschen de bergen en in de bosschen tot God te bidden.JH 40.1

    Hij luisterde naar het vroolijke lied, dat de leeuwerik aanhief ter eere van den Schepper en vereenigde Zijn stem met hun lofen danklied. Hij begroette het morgenlicht met de stem des gezangs. Dikwijls vond men Hem in den morgenstond in een eenzame plaats, peinzende over God, lezende in de Heilige Schrift of verdiept in gebed.JH 40.2

    Na den dag met zulk een rustig uurtje te zijn begonnen, keerde Hij naar huis om Zijn plichten weer op te nemen en een voorbeeld te geven in geduldig werken. Waar Hij Zich bevond, scheen men de tegenwoordigheid -van engelen te gevoelen. De invloed van Zijn rein en heilig leven werd door alle klassen van het volk gevoeld.JH 40.3

    Onschuldig en onbevlekt verkeerde Hij onder de lichtzinnigen, de ruwen en onvriendelijken; te midden van onrechtvaardige tollenaars, roekelooze onverlaten, onbarmhartige Samaritanen, heidensche soldaten en ruwe boeren.JH 40.4

    Hij sprak een woord van medelijden tot dezen en een woord van bemoediging tot genen. Wanneer Hij menschen zag, vermoeid door het dragen van zware lasten, hielp Hij hen de lasten dragen en verhaalde hun de lessen die Hij uit de natuur geleerd had van Gods liefde, vriendelijkheid en goedheid.JH 40.5

    Hij leerde hun zien, dat zij kostelijke talenten bezaten, waarmee zij eeuwige schatten konden verwerven, indien zij daarvan op de rechte manier gebruik maakten. Door Zijn eigen voorbeeld deed Hij hun verstaan, dat elk oogenblik waarde heeft en voor een goed doel behoorde te worden aangewend.JH 41.1

    Geen menschelijk wezen werd door Hem als waardeloos voorbijgegaan; de ruwste en minst belovende werd door Hem aangemoedigd. Hij verhaalde hun, dat God hen lief had als Zijn kinderen en dat zij Hem gelijk mochten worden in karakter.JH 41.2

    Aldus werkte Jezus van af Zijn kinderjaren op een stille manier voor anderen. Dit werk konden Zijn geleerde onderwijzers of zelfs Zijn eigen broeders Hem niet doen opgeven. Met een vast voornemen trachtte Hij zijn levensdoel te bereiken, want Hij was geroepen om het licht der wereld te zijn.JH 41.3

    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents