Loading...
Larger font
Smaller font
Copy
Print
Contents
  • Results
  • Related
  • Featured
No results found for: "undefined".
  • Weighted Relevancy
  • Content Sequence
  • Relevancy
  • Earliest First
  • Latest First
    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents

    KAPITEL 19—VOOR ANNAS, KAJAFAS EN HET SANHÉDRIN.

    STRENG bewaakt, de handen gebonden, met moeite voortschrijdende, gevolgd door een joelende bende, verliet Jezus den hof Gethsémané.JH 114.1

    Hij werd eerst naar het huis gebracht van Annas, den schoonvader van Kajafas, die dat jaar hoogepriester was. De booze Annas had verzocht, dat hij de eerste mocht zijn, om Jezus den Nazarener als gevangene te zien. Hij hoopte eenig bewijs aan Jezus te ontlokken, waarop hij Zijn veroordeeling kon bewerken.JH 114.2

    Met dit doel ondervroeg hij den Heiland aangaande Zijn discipelen en Zijn leer.JH 114.3

    Jezus antwoordde:JH 114.4

    “Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb altijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken.”JH 114.5

    Zich toen tot den ondervrager keerende, zeide Jezus: “Wat ondervraagt gij Mij? ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb.” Joh. 18:20, 21.JH 114.6

    Deze zelfde priesters hadden spionnen gezet om Hem waar te nemen, en verslag te doen van al Zijn woorden. Door middel van deze spionnen wisten de priesters en overheden van al wat Hij gezegd en gedaan had bij iederen samenloop van het volk, waar Hij bij geweest was. Deze spionnen hadden getracht den Heere in Zijn woorden te vangen, opdat zij iets mochten vinden als grond waarop zij Hem konden veroordeelen. Daarom zeide de Heiland: “Ondervraag degenen, die het gehoord hebben. Ga naar uw spionnen. Zij hebben alles gehoord, wat Ik gezegd heb. Zij kunnen u zeggen, wat Mijn leer geweest is.”JH 114.7

    De woorden van Jezus waren zoo doordringend en gepast, dat de hoogepriester gevoelde, dat zijn Gevangene de diepste gedachten zijner ziel las.JH 115.1

    Maar een der dienaren van den hoogepriester, zich verbeeldende dat zijn meester niet met behoorlijken eerbied behandeld werd, sloeg Jezus in het gezicht, zeggende:JH 115.2

    “Antwoordt Gij alzoo den hoogepriester?”JH 115.3

    Op deze beleedigende vraag en vernederenden slag zeide Jezus met zachtheid:JH 115.4

    “Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?” Joh. 18:22, 23.JH 115.5

    Jezus zou legioenen engelen uit den hemel tot Zijn hulp kunnen geroepen hebben, maar het was een deel Zijner zending om in Zijn menschelijkheid al de versmadingen en beleedigingen te verdragen, waarmede het menschdom Hem zou kunnen overladen.JH 115.6

    Van het huis van Annas werd Jezus gebracht naar het paleis van Kajafas. Hij moest in verhoor komen voor het Sanhédrin. Terwijl de leden bijeengeroepen werden, ondervroegen Annas en Kajafas Hem weer, zonder vorderingen te maken.JH 115.7

    Toen de leden van het Sanhédrin bijeengekomen waren, nam Kajafas zijn plaats als voorzitter in. Aan beide zijden zaten de rechters, en de Romeinsche soldaten stonden voor hen, om den Heiland te bewaken. Achter hen bevonden zich de beschuldigers.JH 115.8

    Kajafas vroeg Jezus toen om een Zijner machtige wonderen voor hen te doen. Maar de Heiland liet niet blijken, dat Hij het verzoek gehoord had. Had Hij ook maar met dien doordringenden blik geantwoord, dien Hij op de koopers en verkoopers in den tempel had geworpen, de geheele moordzuchtige schare zou uit Zijn tegenwoordigheid hebben moeten vluchten.JH 116.1

    In dien tijd waren de Joden aan de Romeinen onderworpen, en het was hun niet geoorloofd om iemand ter dood te brengen. Zij konden slechts den gevangene aanklagen, en zulke schuldbewijzen tegen hem inbrengen, die den Romeinschen stadhouder er toe leidden, het doodvonnis uit te spreken.JH 116.2

    Om tot dit doel te geraken, moesten zij iets tegen den Heiland vinden, dat door de Romeinsche regeering als misdadig zou beschouwd worden. Zij konden overvloedig getuigenis verkrijgen, dat Jezus tegen de Joodsche overleveringen en vele van hun gebruiken gesproken had. Het was gemakkelijk te bewijzen, dat Hij de priesters en schriftgeleerden bestraft had, en dat Hij hen geveinsden en moordenaars genoemd had. Maar daarnaar zouden de Romeinen niet luisteren, want zij zelven waren verontwaardigd over de aanmatigingen der Farizeën.JH 116.3

    Vele beschuldigingen werden tegen Jezus ingebracht, maar óf de getuigen verschilden, óf het getuigenis was van zulken aard, dat het door de Romeinen niet aangenomen kon worden. Zij trachtten Hem te laten spreken in antwoord op hun beschuldigingen, maar het scheen alsof Hij ze niet gehoord had. Het stilzwijgen van Jezus op dit oogenblik was door den profeet Jesaja aldus beschreven:JH 116.4

    “Toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij Zijn mond niet open.” Jesaja 53:7.JH 117.1

    De priesters begonnen te vreezen, dat het hun niet gelukken zou om eenig getuigenis te verkrijgen, hetwelk zij tegen hun Gevangene zouden kunnen gebruiken, wanneer zij Hem naar Pilatus zouden brengen. Zij gevoelden, dat er een laatste poging gewaagd moest worden. De hoogepriester hief zijn rechterhand naar den hemel op, en sprak Jezus onder eede als volgt plechtig toe:JH 117.2

    “Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?” Matt. 26:63.JH 117.3

    Jezus ontkende nooit Zijn zending noch Zijn betrekking tot den Vader. Hij kon tegenover persoonlijke beleediging het stilzwijgen bewaren, maar Hij sprak altijd duidelijk en beslist, wanneer er sprake was van Zijn werk of Zijn verhouding tot God als Zoon.JH 117.4

    Elk oor spitste zich tot luisteren, en elk oog was op Hem gevestigd, terwijl Hij antwoordde:JH 117.5

    “Gij hebt het gezegd.”JH 117.6

    Volgens de gewoonte van dien tijd was dit hetzelfde als te antwoorden. “Ja,” of “Het is, zooals gij gezegd hebt.” Dit was de sterkste vorm van een bevestigend antwoord. Een hemelsch licht scheen het bleeke gelaat van den Heiland te bestralen, terwijl Hij er bij voegde:JH 117.7

    “Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.” Matt. 26:64.JH 118.1

    In deze verklaring stelde de Heiland het tegenovergestelde voor van het tooneel, dat toen plaats greep. Hij wees op de toekomst, op den tijd, wanneer Hij de positie van oppersten rechter van hemel en aarde innemen zal. Hij zal dan op den troon des Vaders zitten, en na Zijn beslissingen zal er geen hooger beroep zijn.JH 118.2

    Hij stelde hun een gezicht voor van dien dag, waarop Hij, in plaats van door een vijandig gepeupel omringd en beleedigd te worden, met kracht en groote heerlijkheid op de wolken des hemels komen zal. Dan zal Hij door legioenen engelen begeleid worden. Dan zal Hij het vonnis over Zijn vijanden uitspreken, waartoe datzelfde beschuldigend gepeupel alsdan ook behooren zal.JH 118.3

    Terwijl Jezus de woorden uitsprak, waarmede Hijzelf de Zone Gods, de rechter der wereld verklaarde, te zijn, verscheurde de hoogepriester zijn kleederen als teeken van ontzetting over de godslastering door Jezus geuit. Hij hief zijn handen ten hemel op, en zeide:JH 118.4

    “Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van noode? Ziet, nu hebt gij Zijne godslastering gehoord. Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.” Matt. 26:65, 66.JH 118.5

    Het was in strijd met de Joodsche wet om een gevangene bij nacht te veroordeelen. Hoewel tot de veroordeeling van Jezus reeds besloten was, moest er toch nog voor den vorm een verhoor over dag plaats hebben.JH 119.1

    Jezus werd nu naar een plaats van bewaring gebracht, waar Hij bespotting en mishandeling ondervond van de soldaten en het gepeupel.JH 119.2

    Bij het aanbreken van den dageraad werd Jezus weer voor Zijn rechters gebracht en werd het oordeel des doods over Hem uitgesproken.JH 119.3

    Een satanische woede maakte zich nu meester van de leiders en het volk. Het geraas der stemmen geleek op dat van wilde dieren. Zij drongen op Jezus aan, schreeuwende: Hij is schuldig, doodt Hem! en waren zij niet bevreesd geweest voor de soldaten, Hij zou voor Zijn rechters in stukken zijn gescheurd. Maar de Romeinsche macht kwam tusschen beide, en hield door geweld van wapenen de woede van het gepeupel in toom.JH 119.4

    De priesters en overheden spanden nu met slechte menschen samen om den Heiland te smaden. Een oud kleedingstuk werd Hem over het hoofd geworpen; en Zijn vervolgers sloegen Hem in het gezicht, zeggende: “Profeteer ons, Christus! Wie is het, die U geslagen heeft?” Matt. 26:68.JH 119.5

    Toen het kleedingstuk weggenomen werd, spuwde een van de knechten den Heiland in het gezicht.JH 119.6

    Eenmal zullen die onwaardige mannen, die het kalme, bleeke aangezicht van Christus bespogen en bespot hebben, het in Zijn heerlijkheid aanschouwen, wanneer het helderder blinken zal dan de zon.JH 119.7

    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents