Loading...
Larger font
Smaller font
Copy
Print
Contents
  • Results
  • Related
  • Featured
No results found for: "undefined".
  • Weighted Relevancy
  • Content Sequence
  • Relevancy
  • Earliest First
  • Latest First
    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents

    KAPITEL 27—“GAAT, ZEGT MIJNEN DISCIPELEN.”

    LUKAS, in zijn beschrijving van de begrafenis des Heilands, zegt, sprekende over de vrouwen, die bij de kruisiging bij Hem waren:JH 158.1

    “En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den Sabbat rustten zij naar het gebod.” Luk. 23:56.JH 158.2

    De Heiland werd Vrijdag, den zesden dag der week, begraven. Zij bereidden specerijen en zalven om hun Heere ermede te balsemen, en legden ze ter zijde, totdat de Sabbat voorbij zou zijn. Zelfs niet het werk van het balsemen van Jezus’ lichaam wilden zij doen op den Sabbat.JH 158.3

    “En als de Sabbat voorbijgegaan was,... zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging.” Mark. 16:1. 2.JH 158.4

    Terwijl zij den hof genaakten, verbaasde haar het aanzien der hemelen, die heerlijk verlicht waren, en het schokken der aarde onder haar voeten. Zij ijlden naar het graf, en waren nog meer verwonderd toen zij bevonden, dat de steen was weggerold, en dat de Romeinsche wacht er niet stond.JH 158.5

    Maria Magdalena was de eerste, die bij het graf kwam. Toen zij zag, dat de steen weggenomen was, haastte zij zich om het aan de discipelen te zeggen. Toen de andere vrouwen kwamen, bemerkten zij een licht, dat het graf omstraalde, en toen zij er in blikten, zagen zij dat het ledig was.JH 158.6

    Terwijl zij nog bij het graf vertoefden, zagen zij op eenmaal een schoonen jongeling in schitterende kleeding. Het was de engel, die den steen weggerold had. Verschrikt door dit gezicht wilden zij zich omkeeren en vluchten, maar de engel zeide:JH 159.1

    “Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de dooden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het ulieden gezegd.” Matt. 28:5-7.JH 159.2

    Toen de vrouwen weer in het graf blikten, zagen zij een tweeden glanzenden engel, die haar vroeg:JH 159.3

    “Wat zoekt gij den levende bij de dooden? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was, zeggende: De Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.” Luk. 24:5—7.JH 159.4

    Toen verklaarden de engelen den dood van Jezus. Zij bepaalden de aandacht der vrouwen bij de woorden, welke Jezus tot hen gesproken had, en waarin Hij hun van tevoren Zijn kruisiging en opstanding had medegedeeld. Deze woorden van Jezus werden hun nu duidelijk, en zij schepten er nieuwe hoop en nieuwen moed uit.JH 159.5

    Maria was tijdens deze gebeurtenis afwezig geweest, maar kwam nu terug met Petrus en Johannes. Toen de anderen naar Jeruzalem wederkeerden, bleef zij bij het graf. Zij kon het niet over zich verkrijgen weg te gaan, totdat zij vernomen had, wat er met het lichaam van haar Heer gebeurd was. Terwijl zij stond te weenen, hoorde zij een stem, die vroeg:JH 160.1

    “Vrouw! Wat weent gij? Wien zoekt gij?”JH 160.2

    Haar oogen waren zoo door tranen verblind, dat zij niet merkte, wie het was, die tot haar sprak. Zij dacht, dat het misschien iemand was, die het toezicht had over den hof, en daarom sprak zij smeekende tot Hem:JH 160.3

    “Heer! zoo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.”JH 160.4

    Zij dacht, dat indien het graf van dezen rijken man een te eervolle plaats voor haar Heer geacht werd, zij zelve in een plaats voor Hem zou voorzien. Zij dacht aan het graf van haar broeder Lazarus, dat ledig was door de stem van Hem, over wien zij nu treurde.JH 160.5

    Maar nu trof de stem van Jezus haar verbaasde ooren. Hij zeide: “Maria!”JH 160.6

    Onmiddellijk droogde zij haar tranen, en zag zij Jezus aan. In haar blijdschap vergetende, dat Hij gekruisigd was, strekte zij haar handen tot Hem uit, zeggende: “Rabboni!” (Meester.)JH 160.7

    Toen zeide Jezus: “Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijnen Vader; maar ga heen tot Mijne broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijnen Vader en uwen Vader, en tot Mijnen God en uwen God.” Joh. 20:13-16.JH 160.8

    Jezus weigerde die hulde Zijner volgelingen aan te nemen, totdat Hij weten zou, of Zijn offerande door den Vader aangenomen was. Hij wilde van God Zelven de verzekering ontvangen, dat Zijn verzoening voor de zonden der menschen ten volle genoegzaam was geweest, zoodat zij door Zijn bloed het eeuwige leven zouden kunnen verkrijgen.JH 162.1

    Alle macht in hemel en op aarde werd aan den Vorst des levens gegeven, en Hij keerde terug tot Zijn volgelingen in een wereld van zonde, opdat Hij hun Zijn macht en heerlijkheid mocht meedeelen.JH 162.2

    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents